Oftewel de bergier, op z’n slechts Nederlands, om de bergbeklimmer als beroep te betitelen. Zoals je ook ambachtslieden soms benoemt die dagelijks hun ding doen als loodgieter, maar nooit met een pot loot in de weer zijn geweest, wel ambachtelijk, dat wel.
Dus de bergier, iemand die van een verzetje houdt op z’n tijd naast dagdromen,luchtkastelen bouwen en meer zulkse nuttige tijdsbestedingen. Veelal volk dat graag ergens gaarne als een berg tegen opziet om tot een levensvervulling te geraken.
Noem het dagbesteding voor welgestelden, want ook om daar boven te geraken telt, dat de zon aldaar ook kosteloos schijnt. Al het andere dat de bergier van nut is om te klauteren kost geld, bergen geld. Zij die zonder centen zijn zullen die hemelse hoogten niet betreden.